Anoek Nuyens: ‘De fase van het niet-weten is cruciaal’ Interview over kunst in tijden van corona

Square
Theaterkrant interviewt filosofen, kunstenaars en critici en vraagt hen te reflecteren op de coronacrisis. Aan het eind van elk interview wordt hen gevraagd een nieuwe denker aan te dragen. Filosoof Thijs Lijster was benieuwd naar de reflecties van theatermaker en schrijver Anoek Nuyens. In haar theatervoorstellingen stelt ze vaak de vraag hoe theater bij kan dragen aan een betere wereld. Wat is volgens haar de rol voor theater in de coronacrisis?

 

Wat legt deze crisis volgens jou bloot in het culturele veld?
‘Als je me deze vraag gisteren gesteld had, had ik misschien wel een ander antwoord gegeven. Ik switch soms per uur in wat ik denk of voel over deze crisis. Maar als ik nu op deze ochtend nadenk over wat deze crisis ons laat zien, is dat de podiumkunsten, meer dan welke andere kunstvorm, het hardst geraakt wordt. Theater gaat over contact: over gedeelde tijd en ruimte tussen performers en toeschouwers, over intimiteit, over lichamen, over samen in een ruimte tegen elkaar. Dat is de kern van theater.’

‘Ik werk vanuit een oud schoolgebouw met allemaal kunstenaars. De muzikanten spelen gewoon door, de beeldend kunstenaars ook. De schrijvers draaien overuren. Alleen podiumkunstenaars die zijn hier nu niet, want ja, wat kun je doen in een studio zonder publiek, zonder acteurs? Je kan niks.’

Hoe zie je de kunstenaars in je omgeving reageren op deze crisis?
‘Ik denk dat we door verschillende fases zijn gegaan, net als veel Nederlanders, Europeanen en wereldburgers, want podiumkunstenaars zijn natuurlijk ook gewoon burgers. In de eerste fase zag ik een soort acute paniek, maar ook een verlangen om te helpen: boodschappen doen voor mensen in je buurt bijvoorbeeld. Maar sommige kunstenaars zag ik ook stoïcijns doorgaan. Die hadden het heel druk met vormgeven aan het feit dat ze eigenlijk geen werk meer hadden, zeg maar. Ook wel begrijpelijk, aangezien veel van ons extreme workaholics zijn. Dan is het heel gek om opeens te stoppen met werken. Sommigen gingen maar door en door en door. Als ik ze sprak zeiden ze: “Ik heb het echt keidruk met voorbereidingen en het schrijven van plannen!” Dan dacht ik: “Hè, maar we weten toch nog niets?”‘

‘De tweede fase was er een van bezinning en acceptatie dat projecten niet doorgaan, het werk stilligt en dat er niets anders op zit dan gewoon thuis te blijven. Ik heb nu het gevoel dat er een soort derde fase aanbreekt en veel mensen zich afvragen: hoe gaan we hier uitkomen? Daarmee is er ook een verlangen naar toekomstscenario’s. Ik wil die zelf ook heel de dag lezen, omdat het een heel gek gevoel is om geen houvast te hebben. En toch is het belangrijk aan die onzekerheid toe te geven.’

Waarom moeten we toegeven aan die onzekerheid?
‘Ik vergelijk het met het maken van een voorstelling. De eerste repetitiefase is fantastisch: alles is nog mogelijk. Iedereen mag alles zeggen, het bruist van de energie, je hebt honderd ideeën en alles is interessant. Wanneer de repetitiefase over de helft is, komt er een moment van holy fuck… What the fuck ben ik aan het maken? Dan is er een soort paniek en een enorme onzekerheid, omdat je helemaal niet weet wat je aan het doen bent. Al die dingen die in het begin nog mogelijk waren, zijn niet meer mogelijk en je moet keuzes maken. Mijn ervaring is dat als je die fase van onzekerheid en het niet-weten toelaat, je de beste voorstellingen maakt. Je krijgt inzichten die je zelf verbazen. De fase van het niet-weten is cruciaal, om door het ijs te zakken en zo in een andere wereld terecht te komen. Als je die fase niet toelaat, ga je grijpen naar de dingen die je al weet. Aan het begin van het maakproces heb ik nog geen idee hoe de voorstelling gaat worden. Ik vind het altijd gek als makers zeggen: ik weet precies wat ik ga maken. Waarom maak je het dan nog? Wat heb je dan nog te ontdekken?’

‘Als de coronacrisis een voorstelling zou zijn – en ik weet dat het dat niet is – dan heb ik het gevoel dat we nu soms te snel naar de eindfase willen. “Zo gaan we het doen” of “we gaan weer terug naar normaal”. Je kunt je afvragen hoe normaal dat ‘normaal’ eigenlijk was. We zijn in deze crisis beland doordat een aantal dingen juist heel abnormaal waren. Moeten we niet op Europees niveau kijken naar de oorzaken van de crisis? Kijken naar onze relatie met de natuur, de dieren en de aarde?’

‘Het is heel verleidelijk om houvast te zoeken; dat je dan een goed stuk leest en denkt: zo moet het! Daar gaan we naartoe! Je herhaalt het in zoommeetings en je gaat erin geloven. Maar wat er dan bij mij gebeurt, is dat er toch steeds momenten komen waardoor alles weer verschuift en verandert. Ik zou echt iedereen op het hart willen drukken om het niet-weten toe te laten, omdat je dan echt kunt kijken. Op het moment dat je weet waar je naartoe gaat, ga je alleen die route zoeken.’

‘Ik denk dat we er nog lang niet uit zijn over wat deze crisis allemaal aantoont. We weten wel een aantal zaken, maar ik denk dat er nog veel meer te zien valt. En dat is juist zo interessant voor theatermakers en kunstenaars, omdat je al die observaties je praktijk kunt binnenslepen en er waardevolle verhalen over kunt maken. Op die manier kun je weer iets delen met publiek en teruggeven aan de samenleving. Je moet ook juist gebruik maken van je unieke positie als kunstenaar!’

Is er een rol voor de kunstenaar in deze crisis?
‘Ik moet eerlijk bekennen dat ik in eerste instantie helemaal niet bezig ben geweest met mijn rol als kunstenaar, maar met mijn rol als burger. Hoe kan ik mensen helpen, hoe kan ik mezelf veiligstellen? Ik denk eigenlijk dat de rol van de kunstenaar nu pas gaat beginnen: nu we langzaamaan naar de exitstrategie bewegen. Ik heb het idee dat in de media iedereen allerlei dingen signaleert, maar dat het nu ook langzamerhand tijd wordt om te duiden. Dat kunnen kunstenaars heel goed, zeker theatermakers. Kunstenaars kunnen plekken creëren waar burgers publiekelijk en vrij kunnen denken over de crisis en wat het allemaal in beweging zet, maar ook wat niet.‘

‘Theaters zijn publieke ruimtes waar gezamenlijk gedacht, gesproken en gekeken wordt. Iemand zei tegen mij dat de privatisering die in de jaren negentig is ingezet nu pas op z’n hoogtepunt is. De publieke ruimte is op dit moment eigenlijk helemaal weg is. We leven, werken en denken allemaal in de privésfeer: in onze huiskamer. De taak voor theatermakers ligt er in het publieke te koesteren en te benadrukken dat theaters cruciale gebouwen zijn, waar we samen kunnen komen en het publieke kan ontstaan. Dat hebben we nu heel hard nodig.’

‘Een tijdje geleden waren er veertig wetenschappers die zich hadden verenigd in een select groepje. Simon van den Berg vroeg zich af waarom daar geen kunstenaars bij zaten. We hebben toen zelf zo’n groepje opgezet met theatermakers. Als je als wetenschapper heel lang iets bestudeert, ben je expert op één specifiek gebied. Wat theatermakers juist goed kunnen, is niet vanuit één professie of ambacht kijken, maar het geheel zien. Daarin gekke verbindingen leggen, waardoor een betekenis ontstaat die mensen nog niet eerder zo hadden gezien. De wereld is vaak rommelig en chaotisch, als mens hebben we een soort primaire behoefte aan orde. Maar misschien is het nu ook wel de taak van theatermakers om die chaos te laten bestaan en niet onmiddellijk te ordenen. Om te zeggen: ‘Kijk, het is chaos en je mag in die chaos ook even zijn, je hoeft het niet meteen te weten.’

Een vraag die centraal staat in je werk is: hoe kan theater bijdragen aan een betere wereld? Hoe kan theater bijdragen aan een betere wereld in deze crisis?
‘De podiumkunsten worden nu het hardst getroffen, maar ik denk dat we ze straks ook weer het hardst nodig hebben. Door deze crisis zijn we contactgestoord geworden: aanraking en onbekende lichamen zien we nu als een potentieel gevaar. Volgens mij moeten we weer nieuwe associaties en contactervaringen opbouwen. Misschien kan het theater kleine rituelen in onze samenleving creëren waardoor het hele gegeven van contact weer rijker wordt en we het niet langer associëren met virus, besmetting, angst en paniek. Ik denk dat wij als samenleving in een collectieve therapie moeten gaan voor contact. Theater is een plek waar we kunnen oefenen in verdraagzaamheid, de lichamen van elkaar, de aanrakingen. Om er straks weer van te genieten dat een vreemde je aanraakt, of wanneer je straks in een metro heel dicht tegen iemand aan moet staan.’

‘Wat ik het meeste mis is het publieke denken en samenzijn: met vreemde mensen in een ruimte aandachtig luisteren. Al die afschuwelijke zoom-meetings zijn toch wel het bewijs dat we via zoveel meer kanalen communiceren; alleen via taal communiceren is heel plat en saai. Ik vind dat ook hoopvol voor het theater: er gebeurt blijkbaar iets op zoveel verschillende niveaus als je allemaal lichamen bij elkaar zet in een ruimte.’

‘Theater is bovendien een belangrijk medium om de oorzaken van deze crisis te agenderen. Veel oplossingen voor hedendaagse problemen liggen in de collectiviteit. Ik denk dat je mensen in een theater herinnert aan dat ze onderdeel zijn van iets groters, namelijk van een gemeenschap. Dat collectieve moeten we koesteren en we moeten er zuinig op zijn. Het theater kan ons publieke denken onderhouden. Ik denk dat dat voor een theatermaker een hele eervolle taak is.’

Hoe stel je je theater voor in de anderhalve meter samenleving?
‘Zelf vraag ik me steeds af: wat is de eerste voorstelling waar ik weer naar toe zou willen gaan? Dat wordt er denk ik toch een die mij als toeschouwer het gevoel geeft dat het echt belangrijk is dat ik er ben. Een voorstelling waar geen vierde wand is, want ik zit al de hele dag te netflixen. Ik wil contact!’

‘Voor mijn volgende voorstelling moet ik ook over die anderhalve meter nadenken. Normaal zie ik de voorbereiding vaak een leeg podium voor me en verbeeld ik me wat daar allemaal op kan ontstaan. Nu zit ik vanaf dat podium naar de tribune te staren. Dat vind ik ongelofelijk inspirerend. Er is ineens zoveel meer mogelijk. Normaal moet je het doen met een statische tribune. Nu is dat in beweging. Ik word heel somber als ik nadenk wat het financieel allemaal gaat betekenen voor de sector deze crisis. We moeten nog maar zien wat er over blijft van onze sector. Maar inhoudelijk artistiek zijn het heel inspirerende tijden.

‘Ik denk dan ook dat we zeker niet klakkeloos de anderhalvemetertribune over moet nemen. Er is zoveel mogelijk! Je kunt je publiek in een cirkel zetten, het publiek op het podium, bij publiek thuis spelen. Je kunt voor een flat gaan staan en alle flatbewoners een voorstelling verzorgen. Ik zeg maar iets.’

‘Ik hoop dat het theater weer een cruciale functie krijgt, maar wel op een heel andere manier. Die gedachte van groot, groter, grootst, hoe meer publiek hoe beter: de crisis dwingt ons nu om dat los te laten. Maar dat is niet erg. Dat is ook een kans om een ander soort kleinschalig en sober theater voor een langere periode te onderzoeken.’

‘De laatste tijd lees ik weer Peter Brook. Ik kan ergens gaan staan, schrijft hij, iets zeggen en als iemand naar me kijkt datgene wat ik doe theater noemen. Als je die gedachte doortrekt wordt het theater de komende tijd misschien wel heel klein en soms haast onzichtbaar. Zonder programmaboekjes of posters door de stad, zonder inleidingen of nagesprekken. Misschien wordt het theater een soort gerucht. Dat je iemand spreekt die je vertelt dat hij gisteravond iets heeft gezien. Iets heel moois, een ervaring die hij maar moeilijk kan omschrijven. Dat mensen tegen elkaar zeggen: ‘Daar had je bij moeten zijn.’

Naar wiens reflecties ben jij benieuwd?
‘Wouter Hillaert. Hij is voor mij de meest inspirerende theatercriticus van de Lage Landen. Met de Rekto:verso boort hij altijd interessante thema’s aan die aanzetten tot nadenken. Ook vind ik de dwarsverbanden die hij maakt tussen kunst en de samenleving interessant. Ook ben ik benieuwd of de theatersector in België anders reageert op de crisis dan hier in Nederland.’

Foto | Eva Roefs

Tekst | Lies Mensink

Gepubliceerd op Theaterkrant.nl

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *