‘Iedere GRIP-maker heeft een eigen signatuur’ Interview Jan Martens

Square

Waar danser en choreograaf Jan Martens via zijn werk grip krijgt op zichzelf, zijn omgeving en de maatschappij, tracht hij met GRIP grip te krijgen op de grillige structuren van het podiumlandschap. GRIP ondersteunt vier makers langdurig in iedere fase van hun werk en een van hen is Jan Martens zelf. Iedere maker heeft een totaal eigen signatuur, maar de werken worden naast elkaar gepresenteerd. Martens: “Het is voor ons echt een manier om de diversiteit van het veld weer te geven.”

Als maker heeft Jan Martens veel werk gemaakt bij verschillende productiehuizen. Daar ontstond het verlangen naar het creëren van een eigen platform om makers langduriger te ondersteunen. “Ik heb bij productiehuizen soms het idee dat de ondersteuning stopt nadat het werk in première is gegaan – al is dat zeker niet bij iedereen het geval,” vertelt Martens. In 2014 start Martens samen met Klaartje Oerlemans GRIP: “Hoe kunnen wij een structuur creëren die meer doet dan een productiehuis en er écht voor gaat om makers een deel van hun carrière te begeleiden op alle vlakken?” Martens is artistiek leider en Oerlemans doet de zakelijke kant, samen met een productie-, publiciteits- en administratief medewerker ondersteunen ze makers in alle fases van hun werk: “We doen eigenlijk alles: van preproductie, postproductie tot verkoop en maken daarbij gebruik van het netwerk dat we in de afgelopen jaren hebben opgebouwd.”

Een van de vier makers die door GRIP ondersteund wordt, is Martens zelf: “Ik ben eigenlijk forever on board;  bij de andere makers kijken we hoe lang het traject is dat we samen doorlopen.” Momenteel zijn die  drie andere GRIP-makers Bára Sigfúsdóttir, Michele Rizzo en Steven Michel. De bedoeling is dat de samenstelling van de groep na verloop van tijd verandert wanneer de makers zich op een andere manier gaan organiseren en de steun van GRIP niet langer nodig hebben.

Selectie

Samen met Oerlemans beslist Martens welke makers onderdeel van GRIP worden. Martens: “We zoeken naar makers van wie we vinden dat ze echt een aanvulling zijn op het aanbod van dans of op de definiëring van dans. Werk dat een soort diversifiëring in het veld teweeg brengt.” De makers van GRIP hebben ieder een eigen signatuur. Zo zoekt de Ijslandse Sigfúsdóttir in haar werk naar details: “Van de beweging van haar vingers, naar hoe een elleboog buigt. Ze vraagt de toeschouwer in te zoomen en de tijd te nemen.” De Italiaanse Rizzo onderzoekt onder andere de minimalistische extatische dansbewegingen uit de clubscene en de Franse Steven Michel “communiceert door een symbiose te vinden van het audiovisuele en de bewegingstaal van het lichaam.” Door de werken naast elkaar te tonen tijdens GRIP evenings wordt de diversiteit van de makers extra zichtbaar. “Het past artistiek niet altijd in dezelfde lade, dat vinden we ook belangrijk. Daarom is het denk ik juist het mooist om dat werk samen te presenteren,” vertelt Martens.

Jan Martens: radicale vormkeuzes

Het werk van Martens zelf onderscheidt zich van de andere GRIP-artiesten door de radicaal andere vormkeuzes die hij keer op keer maakt: Martens staat op de GRIP-week met drie totaal verschillende voorstellingen. Tijdens zijn solo ODE TO THE ATTEMPT (2014) staat Martens zelf op het toneel, in BIS (2012) danst de 68-jarige danseres Truus Bronkhorst en in PASSING THE BECHDEL TEST verkiest hij tekst boven beweging. Dertien queer jongeren tussen de dertien en negentien jaar brengen feministische teksten van Virginia Woolf tot aan Solange. “Wat mijn werk uniek maakt is dat ik voor elke productie op zoek ga naar een radicaal andere vorm.”

Tijdloosheid

Naast diversiteit en vernieuwing is Martens altijd op zoek naar een bepaalde tijdloosheid en dat de werken van deze GRIP-makers de tand des tijds kunnen doorstaan, wordt duidelijk uit het programma. Naast het nieuwe PASSING THE BECHDEL TEST en de Nederlandse première van Michel’s Affordable Solution for Better Living, staan twee oudere werken van Martens op het programma; ook Rizzo’s Higher (2015) is een oude bekende van coproducent Frascati. Martens: “Het werk moet breder gaan dan proberen in het plaatje van het seizoen te passen, voorbij de stroming van het moment gaan.”

Ondanks alle diversiteit van de GRIP-makers is dat wat de makers verbindt, zegt Martens: “Hoe divers ons werk dan ook is, vind ik dat het heel dicht bij onszelf blijft.” Het werk van de GRIP-makers heeft weinig ‘opsmuk’. Het gaat op zoek naar een essentie, naar een kern: “We gaan niet op zoek naar trucjes; er blijft een soort transparantie in het werk: What you see is what you get.”

Ruimte voor experiment

Bij Martens leidt de inhoud van het werk hem naar de juiste vorm: “Als ik zoals bij PASSING THE BECHDEL TEST voel dat dat een tekstvoorstelling moet worden, dan wordt het dat ook. Ook al ben ik een choreograaf en heb ik daar geen ervaring mee”.  Je als choreograaf wagen aan een tekstvoorstelling is iets wat Martens vijf jaar eerder niet had gedurfd, biecht hij op. Had hij die stap ook zonder GRIP gezet? “Nee ik denk het niet, een structuur als GRIP zorgt er ook voor dat er opvolging is. Dat mensen op de hoogte zijn van wat ik aan het maken ben, dat er steun komt en blijft komen. We beginnen te merken dat GRIP een soort kwaliteitslabel is en dat is natuurlijk iets waar we heel blij mee zijn.”

GRIP laat zich niet beperken tot de grenzen van Vlaanderen. Sigfúsdóttir beweegt zich tussen het dansveld in Brussel en Oslo; Oerlemans en Martens zijn druk met haar aan de slag om ook daar samenwerkingen aan te gaan. “Zodat ze steun heeft van partners als ze daar is.” GRIP staat als een ‘vzw’ in Antwerpen en als stichting in Rotterdam met een been in het Vlaamse en met het andere in het Nederlandse dansveld. Als Martens naar de verhouding tussen die velden kijkt, denkt hij dat er in Nederland te weinig ruimte is voor experiment. Althans het is er wel, maar slechts tot op zekere hoogte: “Er gaat relatief veel budget naar jonge makers, maar ik denk dat je snel op grenzen botst. Wanneer je bijvoorbeeld als dertigjarige choreograaf drie à vier jaar bezig bent in Nederland en er komt een volgende generatie jonge experimentele makers aan, dan bots je denk ik plots op een grens.”

Verschil tussen Nederland en Vlaanderen

Er zijn weinig doorgroeimogelijkheden buiten de grote steden om, concludeert Martens. Zeker als hij dat vergelijkt met de situatie in Vlaanderen waar hij probleemloos met zijn werk in twintig steden en zelfs dorpen staat. “In de provincie is daar toch meer openheid naar experimenteler werk.” Volgens Martens heeft dat een historische oorzaak: de grote gezelschappen in Nederland hebben vooral een neoklassieke achtergrond. “Als je als zestienjarige in Vlaanderen met school naar een voorstelling gaat dan kom je bij een Alain Platel of een Anne Teresa De Keersmaeker terecht, iets wat meteen een veel experimenteler kader schept dan wanneer je als Nederlandse tiener bij  het NDT of bij Introdans terecht komt.”

Maar wellicht zit er tijdens deze GRIP-week wel een Nederlandse tiener in de zaal zit die geraakt wordt door een leeftijdsgenoot die Virginia Woolf citeert,  die kijkt naar hoe een elleboog buigt, of plotseling begrijpt hoe een lichaam een verhaal probeert te vertellen.

Foto in header | Phile Deprez

Tekst | Lies Mensink

In opdracht van Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *